Home Lessen Artikelen en conferenties Dhammapada XXI. : Pakinnavagga – Gemengde Versen

Dhammapada XXI. : Pakinnavagga – Gemengde Versen

22
0

DHAMMAPADA


Bouddha_nuage-52d9b-8.jpg

XXI. : Pakinnavagga – Gemengde Versen

290 Als men door een klein geluk op te geven,
Een groot geluk zou zien:
Laat de wijze het kleine geluk dan opgeven,
En het grote geluk aanschouwen.

291 Wie voor zichzelf geluk wil verkrijgen
Door bij anderen leed te veroorzaken:
Hij gaat om met haat, en zit eraan vast:
Vrijheid van haat zal hij niet bereiken.

292 – 293 Wie weigert te doen wat nodig is
En doet wat men dient te laten:
Schaamteloos en nalatig,
Zijn corrupties nemen toe.

Wie aandachtigheid van het lichaam
Immer grondig beoefent;
Wie niet doet wat men dient te laten,
En voortdurend doet wat nodig is;
Wie aandachtig en oplettend is;
Hun corrupties komen tot een einde.

294 – 295 Vader en moeder gedood,
En twee koningen van adel;
Het land en haar mensen gedood:
Vrij van zorgen gaat die brahmaan.

Vader en moeder gedood,
En twee geleerde koningen;
Met de tijger als vijfde gedood:
Vrij van zorgen gaat die brahmaan.

296 – 298 Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens aandacht, dag en nacht,
Constant naar de Boeddha gaat.

Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens aandacht, dag en nacht,
Constant naar de Dhamma gaat.

Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens aandacht, dag en nacht,
Constant naar de Sangha gaat.

299 – 301 Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens aandacht, dag en nacht,
Constant naar het lichaam gaat.

Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens geest zich, dag en nacht,
Verheugt in geweldloosheid.

Goed ontwaakt, altijd wakker zijn zij:
De discipelen van Gotama
Wiens geest zich, dag en nacht,
Verheugt in mentale ontwikkeling.

302 Moeilijk is het om thuisloos zijn;
Moeilijk om je daarin te verheugen.
Moeilijk en pijnlijk is leven in een huishouden;
Moeilijk is het samenleven met ongelijken.
Lijden volgt de reiziger;
Wees daarom geen reiziger — laat lijden je niet volgen.

303 Wie vol overtuiging en deugd is,
Begiftigd met roem en rijkdom,
Waar hij ook gaat:
Hij wordt daar geëerd.

304 De vredigen zijn van verre zichtbaar,
Zoals de bergen van de Himalaya.
De boosaardigen zijn hier niet te zien,
Als een pijl in de nacht weggeschoten.

305 Hij zit alleen, hij slaapt alleen,
Hij loopt alleen, actief.
In zijn eentje temt hij zichzelf;
Vreugdig is hij, in het bos.

Klik hier om de 26 hoofdstukken bekijken :

http://www.buddhachannel.tv/portail/spip.php?article16374

Bron : http://www.suttas.net

Vorig artikelDhammapada XXIII : Nagavagga – Olifanten
Volgend artikelDhammapada XX. : Maggavagga – Het Pad