Home Lessen Artikelen en conferenties Dhammapada IX. : Pāpavagga – Het Kwaad

Dhammapada IX. : Pāpavagga – Het Kwaad

22
0

DHAMMAPADA


Bouddha_nuage-52d9b-13.jpg

IX : Pāpavagga – Het Kwaad

116 Wees spoedig in het doen van goed;
Wend de geest af van het kwade.
Wie traag is in het doen van goed:
Zijn geest verheugt zich in het kwade.

117 Indien iemand iets kwaads zou doen:
Laat hem dat dan niet steeds weer opnieuw doen —
Laat hem niet daarnaar verlangen;
Want het opeenhopen van het kwade brengt lijden.

118 Indien iemand iets goeds zou doen:
Laat hem dat dan steeds weer opnieuw doen —
Laat hem daarnaar verlangen;
Want het opeenhopen van het goede brengt geluk.

119 Het kan goed gaan met de boosdoener,
Zolang zijn daden nog niet tot rijping komen.
Wanneer het kwade tot rijping komt,
Dan ziet de boosdoener het kwaad ervan.

120 Het kan slecht gaan met de goeddoener,
Zolang zijn daden nog niet tot rijping komen.
Wanneer het goede tot rijping komt,
Dan ziet de goeddoener het goede ervan

121 Geringschat het kwade niet, denkend:
‘Het komt toch niet naar mij.’
Druppel na druppel wordt de waterpot gevuld:
Zo vullen de dwazen zich met het kwade,
Wat zij beetje bij beetje vergaren.

122 Geringschat het goede niet, denkend:
‘Het komt toch niet naar mij.’
Druppel na druppel wordt de waterpot gevuld:
Zo vullen de wijzen zich met verdiensten,
Welke zij beetje bij beetje vergaren.

123 Zoals een handelaar een gevaarlijk weg vermijdt,
Wanneer hij alleen met een kostbare vracht reist;
En zoals wie het leven liefheeft, vergif zal vermijden:
Op die manier dient men het kwade te vermijden.

124 Wanneer een hand geen wonden heeft,
Kan men er vergif in dragen:
Gif komt niet binnen daar waar geen wond is.
En er is geen kwaad voor wie het niet doet.

125 Wie een deugdzaam man kwaad doet:
Een zuiver, foutloos persoon.
Die kwade actie komt naar de dwaas terug:
Als fijn stof, tegen de wind in geworpen.

126 Sommigen worden in een baarmoeder geboren;
Anderen, die kwaad doen, in een hel.
De goeddoeners worden in een hemel geboren;
Maar diegenen zonder corrupties zijn verlost.

127 Niet in de lucht, noch in het midden van de oceaan,
Noch door een bergkloof in te gaan;
Er is geen plek op deze aarde
Alwaar men van zijn slechte daden verlost zal zijn.

128 Niet in de lucht, noch het midden van de oceaan,
Noch door een bergkloof in te gaan;
Er is geen plek op deze aarde
Alwaar men niet aan de dood zal bezwijken.

Klik hier om de 26 hoofdstukken bekijken :

http://www.buddhachannel.tv/portail/spip.php?article16374

Bron : http://www.suttas.net

Vorig artikelDhammapada X : Daṇḍavagga – Het Wapen
Volgend artikelDhammapada VIII : Sahassavagga – Duizenden